Op 14 mei werd in Bonn (Duitsland) de draad van de internationale klimaatonderhandelingen weer opgenomen in een UNFCCC- onderhandelingssessie, die twee weken duurde en afliep op 25 mei. Zoals meestal na een geslaagde klimaatconferentie (Durban, december 2011) verliep deze heropstart eerder moeizaam en werd het geen onverdeeld succes over heel de lijn. Waar belangrijke vooruitgang geboekt werd in een aantal technische domeinen, verliepen de politiek gevoelige discussies onder het ‘Durban Platform’ eerder moeilijk.
In 2012 is de onderhandelingsstructuur onder het Klimaatverdrag zeer complex, met parallel lopende onderhandelingen in 5 onderhandelingssporen :
Gezien het de eerste vergadering was van deze belangrijke ADP-werkgroep, moesten afspraken gemaakt worden over:
Het voorzitterschap:
Waar het de gewoonte is dat ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen voor het voorzitterschap elk een kandidaat aanduiden, die elkaar afwisselen als voorzitter en vice-voorzitter, konden de ontwikkelingslanden deze keer geen akkoord bereiken over één kandidaat. De Aziatische groep schoof met een Indische kandidaat een vertegenwoordiger van de groeilanden naar voor, terwijl de Latijns-Amerikaanse groep een kandidaat-voorzitter van de kleine eilandstaat Trinidad en Tobago afvaardigde.
Na intense informele onderhandelingen werd dan toch een akkoord bereikt dat zal gelden tot 2015,waarin beide kandidaten een rol zullen krijgen, maar waarin ook ruimte wordt gecreëerd voor de Afrikaanse groep, telkens in co-voorzitterschap met iemand uit een industrieland. Hierdoor werd op de valreep een stemming, ongezien in de context van de internationale klimaatonderhandelingen, vermeden.
De agenda:
Een ander heikel punt was de vertaling van de ietwat ambigue beslissingstekst, waarover gedurende de laatste nacht in Durban een akkoord bereikt werd, in een ondubbelzinnige en werkbare agenda. Vermits de klassieke ‘fire-wall’ (scheidingsmuur) tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden in de tekst van het Durban Platform niet langer vermeld wordt, hadden een aantal ontwikkelingslanden er alle belang bij om zoveel mogelijk elementen van het Bali Action Plan (waar de ‘fire-wall’ wel is ingebed) over te dragen naar de ADP, en stonden ze er tegelijkertijd zeer weigerachtig tegenover om in deze nieuwe context besprekingen te houden over het optrekken van het ambitieniveau.
Ook hier werd uiteindelijk een akkoord bereikt over een agenda, waarin de geest van de Durban-akkoorden behouden blijft, en twee gescheiden onderhandelingen worden opgestart. De discussie over het opkrikken van het ambitieniveau kende een goede start met een interessante workshop over het thema.
De proceduriële discussie onder de ADP had onvermijdelijk een weerslag op de werking van de AWG-LCA, waar het Bali Action Plan de basis voor de onderhandelingen vormt. De ontwikkelde landen verkiezen de onderhandelingen te focussen op de specifieke taken gemandateerd door Durban, waarna de AWG-LCA kan afgesloten worden. De ontwikkelingslanden waren er voorstander van om grondig te onderzoeken welke aspecten van het Bali Action Plan mogelijk niet volledig afgerond waren en verder werk - mogelijk ook na 2012 - vereisen.
Uiteindelijk werden alle thema’s (gedeelde visie, uitstootvermindering, aanpassing aan klimaatverandering, technologische en financiële ondersteuning) uit het Bali Action Plan behandeld in verschillende onderhandelingssettings. Er werden ook verschillende workshops georganiseerd over onder meer ‘de vermindering van de uitstoot in ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, nieuwe marktmechanismen en ‘equity’. Met de organisatie van deze workshop werd de discussie over de principes die ten grondslag moeten liggen aan de rechtvaardige verdeling van de lusten en lasten, eindelijk opgestart.
Alvorens een tweede verbintenisperiode onder het Kyoto Protocol begin 2013 van start kan gaan, moet het antwoord op enkele belangrijke vragen gevonden worden:
Over al deze knelpunten werden voorstellen gedaan en werden de standpunten toegelicht in een constructieve sfeer. Dit moet toelaten dat deze knopen tijdens de volgende klimaattop - eind dit jaar in Doha (Qatar) - worden doorgehakt. Een verder element dat tijdens de conferentie van Doha zal moeten worden uitgeklaard, is de vraag of Kyotopartijen die in de tweede periode geen verbintenissen op zich nemen, toegang kunnen krijgen tot de flexibiliteitsmechanismen.
In Durban werden heel wat belangrijke technische taken aan de hulporganen SBI en SBSTA gedelegeerd. Meer bepaald kan in deze context de goede vooruitgang worden genoemd inzake een aantal onderwerpen, die in de aanloop naar Cancún en Durban uiterst gevoelig lagen, onder de vorm van conclusies en/of ontwerp-beslissingen.
Belangrijke voorbeelden voor de SBI zijn :
In de SBSTA werd in een constructieve sfeer gestart met:
Deze eerste sessie na de klimaattop van Durban heeft nog maar eens duidelijk gemaakt dat de multilaterale aanpak van de klimaatverandering moeilijk maar haalbaar is. Het wegvallen van de ‘firewall’ in het Durban Platform zorgt voor heel wat onzekerheid bij veel ontwikkelingslanden. Het is nu aan de ontwikkelde landen om duidelijk te maken dat de bedoeling hiervan niet is om alle landen zonder meer over dezelfde kam te scheren, maar integendeel om ervoor te zorgen dat alle landen een faire bijdrage leveren in lijn met de richtinggevende principes van het Klimaatverdrag, om zo de meest kwetsbare landen voor gevaarlijke klimaatverandering te behoeden.
Meer info:
![]() |